naamwoorden

Onze taal kent twee soorten naamwoorden: 
1. zelfstandige naamwoorden (zn)
2. bijvoeglijke naamwoorden (bn) 

zelfstandige  naamwoorden

Een zelfstandig naamwoord kan vier kenmerken hebben:

1. je kunt het in het meervoud zetten
2. je kunt er een verkleinwoord van maken
3. je kunt er een lidwoord (de, het of een) voor zetten
4. je kunt er een bijvoeglijk naamwoord voor zetten

Voorbeeld: borstel

1. borstels
2. borsteltje
3. de borstel
4. de nieuwe borstel

Nog een voorbeeld: verbazing

1. meervoud kan niet
2. verkleinwoord kan niet
3. de verbazing
4. de oprechte verbazing

Kenmerk 3 en 4 zijn voldoende om een woord een zelfstandig naamwoord te noemen.
Woorden die niet tastbaar zijn, zoals geloof, hoop en liefde, maar ook sneeuw, regen en zonlicht kunnen meestal niet in het meervoud of als verkleinwoord voorkomen. 

Eigennamen (Ahmed, Carla, Jansen, VARA) zijn bijzondere vormen van het zelfstandig naamwoord.

bijvoeglijke  naamwoorden

Een bijvoeglijk naamwoord geeft een kenmerk of eigenschap aan van een zelfstandig naamwoord.
Het staat voor het zelfstandig naamwoord of in het naamwoordelijk deel van een gezegde.

Voorbeelden

Die twee knappe jongens zijn ziek geworden van dat overheerlijke ijsje.
De nieuwe stoel van mijn oude opa is door de felle regen helemaal doorweekt.
De jongste dochter van mijn oudste vriend wil na de lagere school naar het christelijk gymnasium.