cryptogrammen met homoniemen 1

Vul de woorden in alle gaten in en klik op "Nakijken" om je antwoorden te laten controleren.
Als een antwoord goed is, wordt het vet afgedrukt.
Na elke opgave staat het aantal letters van de oplossing.
De oplossing moet steeds op twee manieren in de opgave terug te vinden zijn.
Noteer de eerste letter van de eerste drie oplossingen, want die heb je nodig voor het wachtwoord
waarmee je alle oplossingen te zien kunt krijgen!

(Be)grijpen. (7)
...als ik bij hem een eis deponeer. (6)
1-2-4-5-6-7... (7)
Aan de deur zit het stoeltje van een knoeier. (4)
Aandeel in een artikel. (8)
Aanklampen plus zwartmaken. (7)
Aankondigingen geldig maken. (7)
Aantal om te zuiveren. (5)
Aantrekkelijke Europeaan. (4)
Aardewerk verzamelen. (6)
Aardig aan de drank. (8)
Aardig meisje. (4)
Actie gevoerd op het toilet? (5)
Actief bezig zijn kan diepe indruk maken. (9)
Adeldom in Zuid-Holland. (10)
Adembenemend angstig. (7)
Advocaat in teamverband. (10)
Afbraak op bed. (5)
Afgeven op dieren. (6)
Afnemer van metaal. (5)
Agressieve dieren. (6)
Al foeterend zee kiezen. (8)
Alle hoge Pieten van sinterklaas. (4)
Alleen maar een gewricht. (5)
Alleen verkeerde dingen. (7)
Als de bliksem hamsteren om warm te worden bij het tennissen. (7)
Als dit lichaamsdeel klein is, komt u niet meer terug. (8)
Als geesten rondwaren. (6)
Als het omhoog wordt gehaald, is het afgelopen. (7)
Als iets groter wordt, worden de spullen aangeschaft. (6)
Altijd plaatselijk. (6)
Andersom van streek. (13)
As van een zeer belangrijk persoon. (4)
Autokleding. (4)
Bakkersleerlingen? (8)
Bazen in het breien. (9)
Bed in de rivier. (4)
Bedacht niveau. (4)
Bedanken voor het voordragen. (8)
Bedorven water. (5)
Bedrijf je om hogerop te komen. (5)
Bedwelmende zeerover die illegaal in de lucht is. (11)
Beef op z'n slechtst Amerikaans. (5)
Beestachtig onbeschoft. (5)
Beginnen met verbinden. (9)
Behoorlijk op de cent. (6)
Behulpzaam lettertje. (5)
Bekleden met eten. (6)
Beleefd geoefend. (7)
Beloof het met pijn. (5)
Bemind met andermans woorden. (10)
Ben is een kind alleen. (4)
Benige burger. (9)
Bepaal de grootte van een streep. (4)
Bepaalde overtuigde persoon. (6)
Beschermd boven water gehaald. (8)
Beschermde auto. (5)
Bescherming voor duingras? (4)
Besmet door een pyromaan. (11)
Bespeeld door een blazer in Noord-Holland. (5)
Betaalt voor bier. (4)
Bevalligheid maakt vrij. (6)
Bevalt ze op de markt? (10)
Bevat legerbrandstof. (4)
Bevestiging van knieën. (7)
Bevestigt en ontkent. (4)
Bevrijd van de schrik. (6)
Bewaakt of onbewaakt voor vrouwen in de menopauze. (8)
Bezig met een uitgave. (4)
Bezoek van een verspringer. (7)
Bezorg een orgaan! (5)
Bieden muzikaal houvast. (5)
Bij de N.S. heeft men ze verdiend. (6)
Bij gebrek aan vrijheid dikker geworden. (8)
Bij zo'n dans krijg je ruzie. (5)
Bijbelse hond. (6)
Bijdehand als ik zo iemands mening vraag. (4)
Bijna met spoed. (5)
Bijna voor haar. (3)
Bijvoorbeeld een griet die in de boter ligt. (6) .
Blad met poten. (7)
Blauwe munitie, die u kunt eten. (5)
Blijf met je vingers van die latten af! (7)
Blind in België. (4)
Bloem om in het oog te houden. (4)
Bloemblad. (8)
Boeken verzamelen. (5)
Boevenwagen. (5)
Bomen horen merken. (5)
Bomen op de akkers. (5)
Boos op de kok? (10)
Boosheid van gewicht. (4)
Borrel die de kapitein wel aanspreekt. (4)
Borrel op recept. (7)
Bot van de kubus. (5)
Bouwmeester in een natuurgebied. (8)
Branden van enthousiasme. (6)
Brits ijs. (6)
Brood en spelen. (6)
Brood komt je de strot uit. (4)
Broodbeleg op de tandenborstel? (5)
Brutaal jongetje in huurrijtuig. (5)
Brutaalweg er helemaal naast. (7)
Buigende tendens. (7)
College in het wiskundelokaal. (10)
Commandocentrum voor gymnasten. (4)
Controlevrucht. (5)
Conversatie tussen stamgasten. (4)
Daar draait het om als u de pineut bent. (4)
Daar speelt men mee ter oriëntatie. (5)
Daar zit een hoop bergruimte in. (3)
Daarbij komen de honden onder de auto's terecht. (8)
Daardoor weg in Italië. (3)
Daardoor wordt het warmer of koeler. (8)
Daardoor zie je nog eens wat op het toilet. (4)
Dan vráág je om ellende. (4)
Danskleding. (6)
Dat beetje melk is zelfs al waterig. (6)
Dat dier is maar een vinger groot. (4)
Dat draagt men onder de waterlijn. (4)
Dat geld is bevroren. (5)
Dat heb ik heus wel eens meegemaakt. (7)
Dat is geven en nemen. (7)
Dat kan een patiënt beter krijgen dan een arts. (7)
Dat komt ervan, als men te lang graaft. (4)
Dat kuipje zit vol schepen. (5)
Dat lichaamsdeel geeft rust. (5)
Dat meisje krijgt een pluim aan de waterkant. (4)
Dat metaal klinkt helder, maar verder is het niets. (10)
Dat overvloedige eten geeft desalniettemin verlichting. (6)
Dat verkleint haar. (4)
Dat weefsel moet afgenomen worden. (4)
Dat zij een kind krijgt, staat hem wel aan. (6)
De achterste heeft geen dorst. (4)
De arrestant is bijdehand. (5)
De beste voedingsstof. (5)
De deur open en dicht houden. (8)
De eerste, de beste. (5)
De grond van onze planeet. (5)
De halzen breken. (6)
De kastelein verdient het. (5)
De kracht van veel geld. (8)
De kwaal waarom het draait. (4)
De laatste duw. (3)
De leiding van sinterklaas. (4)
De maanstand was gunstig voor dit kampioenschap. (2)
De maten van een vrouw. (5)
De mond aan de voet. (4)
De naam van een scheepsjongen. (6)
De reiziger wordt overgehaald in de landbouw te werken. (7)
De schim die ik volg. (7)
De stof is opgebouwd uit cellen. (7)
De veilige straatkant behoudend. (6)
De vlinder maakt muziek in de kerk. (5)
De vrijheid en lief hebben. (5)
De weg vooruit. (5)
De weg wijzen in opslagplaatsen. (7)
De woede van een feeks. (5)
Debuut van Mrs. Thatcher. (8)
Deksels, wat hadden we een pijn. (5)
Demonstratief spreker. (7)
Deze Europeaan is in Frankrijk. (3)
Deze artikelen zijn er niet meer. (5)
Deze artikelen zijn juist. (4)
Deze beurs sluit de deuren. (4)
Deze hartstocht moet u laten schieten. (4)
Deze houding is lucht voor een Engelsman. (3)
Deze kleur geeft ook warmte. (9)
Deze koude lekkernij klinkt als een vordering. (3)
Deze mensen zijn lui. (6)
Deze plaats heeft iets verveloos. (5)
Deze puzzel moet men laten verdwijnen! (8)
Deze rotsen kunnen gestolen worden. (5)
Deze sjouwer kan iets overbrengen. (6)
Deze vakbond hoor je nu niet meer. (5)
Deze verbinding is gevaarlijk. (4)
Deze voorzitter houdt je warm. (5)
Deze vrouw komt altijd te laat. (4)
Deze wegen gingen bergop. (6)
Deze wind beschermt tegen de regen. (10)
Die Engelsman hoort vervelend te zijn. (3)
Die Europeanen kunnen schaatsen. (5)
Die Overijsselse plaats is smerig. (4)
Die adviseren voor de vuist weg. (5)
Die bleek onder water. (5)
Die buitenlander hoort het warm te hebben. (5)
Die doek brengt plotseling verandering. (6)
Die geesten zijn heel boos. (7)
Die gehandicapten maken het uit. (5)
Die golven maken krullen van haar. (7)
Die handelaars hebben weinig animo om wat aan te schaffen. (7)
Die hap hebben vissers graag. (4)
Die ironie is licht. (4)
Die is gelukkig raak! (7)
Die is minder geslepen in de vaart. (6)
Die jongen krijgt een kind. (6)
Die jongen loopt in Italië. (4)
Die jongen meent het. (5)
Die kan een trompettist aantrekken. (6)
Die klappen voel je in je been. (11)
Die knaap is niet zo wild. (6)
Die kostuums liggen voor het grijpen. (6)
Die kruipt langzaam in de kachel. (4)
Die kwast is wel ijverig. (5)
Die landen hebben geld genoeg. (6)
Die leerling moet men in het oog houden. (5)
Die lokaliteiten zijn onvriendelijk. (4)
Die lor is log. (4)
Die mannetjes zijn niet netjes. (8)
Die narigheid is toch wel heel fijn. (5)
Die ontspanning beviel de Duitsers niet. (6)
Die piloot kunt u oplaten. (7)
Die plaats is niet te overtreffen. (4)
Die reeks sporten vertoont een beschadiging. (6)
Die schoonheden kunnen ze niet hebben in de kerk! (6)
Die steenmassa heeft iets vervelends. (4)
Die tekeningen laten van zich horen. (6)
Die tekens zijn heilig. (7)
Die vis kan men niet doorslikken. (4)
Die vleugel geeft een onbeschoft geluid. (5)
Die vogels maken je wakker. (7)
Die vreemdeling houdt van groen. (5)
Die wandelaar opent alle deuren. (5)
Die zak beveelt wind te maken. (5)
Die ziekte veroorzaakt vuur. (10)
Dieetregels. (6)
Dier dat effect heeft. (4)
Dier in een vissersboot. (4)
Dier met een flink postuur. (5)
Dier om te strikken. (3)
Dieren die na u komen. (3)
Dierlijke beuk. (3)
Dijenkletsende aaseters. (6)
Dingen van een voetballer. (8)
Discreet gebitselement. (4)
Dit bericht klinkt twijfelachtig. (4)
Dit dier sla je in. (7)
Dit diner bestaat uit taarten. (6)
Dit feest wordt vlak achter de deur gegeven. (8)
Dit gebergte is in kaart gebracht. (5)
Dit geluid wordt met de mond gemaakt. (4)
Dit gewas komt op. (5)
Dit is getekend op een reep. (5)
Dit jongetje uit de hoofdstad wordt op straat gezet. (15)
Dit keukengerei is vrijer. (6)
Dit lichaamsdeel gaf licht. (6)
Dit meisje staat met de voeten in het water. (4)
Dit rangtelwoord bestaat alleen op de Veluwe. (5)
Dit stuk vertoont een afwijking. (6)
Dit verbindt een plaats. (4)
Dit voedsel moet men eerst loshakken. (6)
Die wurm is in Engeland gemaakt. (4)
Dit zijn niet hun Franse nummers. (4)
Doe je met je neus en met je broek. (7)
Doek van een Europeaan. (3)
Doen weinig goeds tegen jeuk. (8)
Door deze depressie komt u zonder beeld te zitten. (7)
Door opwinding de sigaar. (4)
Door rijtuigen zakken. (6)
Doorschijnend patroon. (4)
Doorzichtige figuren. (6)
Dozen die je klein kunt krijgen. (6)
Draagt goud. (4)
Drank van het platteland. (13)
Drank waar alles om draait. (5)
Dreun van een dier. (3)
Drinken we bij een gerecht. (8)
Dronken blazer. (6)
Dronken en opgewekt. (7)
Drukte door de loop van een huisdier. (7)
Drukte op het water. (7)
Duiden breuken aan. (7)
Duiden op geleerden. (6)
Duitsers die zich laten horen. (7)
Durfde niets te drinken. (5)
Dé aangewezen persoon om in Engeland te sterven. (3)