de persoonsvorm vind je met de tijdproef


Vul de ontbrekende woorden in en klik daarna op Controleren om te zien of je antwoorden kloppen.
Schrijf voor de onderstaande zinnen eerst de andere tijd op en dan de persoonsvorm.
Dus zo:
vertrok - vertrekt - Mijn oom vertrekt naar Amerika.

- - 1. De dokter onderzoekt de patiënt.
- - 2. De auto’s botsten op de hoek op elkaar.
- - 3. De regen kletterde tegen de ruiten.
- - 4. De boeren laadden het hooi op de wagen.
- - 5. Verleden week bracht de koningin een bezoek aan ons dorp.

- - 6. Met grote snelheid raasde de auto over de weg.
- - 7. In de vakantie gaan we veertien dagen naar Katwijk.
- - 8. Op de zolder vonden we oude schoolboeken van vader.
- - 9. Op de duintop stond de vissersvrouw op de uitkijk.
- - 10. In 1789 brak de Franse Revolutie uit.

- - 11. Wanneer vertrekt jouw oom met het schip?
- - 12. Wat heeft je vader van je rapport gezegd?
- - 13. Hoe heet die bloem?
- - 14. Hoeveel geld moet ik nog ontvangen?
- - 15. Welk huisdier heeft vijf poten?

- - 16. De gids leidde ons door de grotten van Valkenburg.
- - 17. De auto vloog uit de bocht.
- - 18. De kachel brandde lekker.
- - 19. De auto rijdt met veel te grote snelheid.
- - 20. Waarom gaat die jongen naar huis?