hoofdletters

We schrijven een hoofdletter:

1. Aan het begin van een zin, maar

als deze begint met 's, 't, 'k of 'n, begint het volgende woord met de hoofdletter.

Voorbeelden: 
's
Avonds, 't Hagelde, 'k Zou het niet weten, 'n Klier van een jongen

Als de zin begint met een getal, begint het volgende woord met de hoofdletter.

Voorbeelden:
31 Jongens had zij gezien, 37 Boeken had zij gelezen

 

2. Bij eigennamen of bij van een eigennaam afgeleide woorden

Voorbeelden: 
Jan-Pieter,  het Brabants dialect, meneer De Vries,
mevrouw In het Veld, Zuid-Amerika, Zuid-Amerikaans, Oost-Vlaams

           

3. Namen van talen, kranten, tijdschriften, schilderijen, titels van boeken

Voorbeelden: 
onze leraar Duits
, De Telegraaf, Vrij Nederland, De Nachtwacht

Heere Heeresma schreef Een dagje naar het strand

 

4. Na een dubbele punt, als iemand begint te spreken (directe rede)

Voorbeeld:      
Hij zei: Vannacht vroor het.

 

5. Na een briefaanhef (ondanks de komma!)

Voorbeeld:     
G
eachte heer,

Zoals u in uw laatste brief schreef,

 

Probleemgevallen:

namen van dagen en maanden schrijf je met een kleine letter

meneer Jan de Vries              maar    meneer De Vries

mevrouw I. van de Bak           maar    mevrouw Van de Bak